|
Industrieel
Erfgoed in Twente
Niets is zo bepalend geweest voor Twente als de textielindustrie. Een
handjevol textielfamilies schreef geschiedenis en zette het leven in de regio
volledig naar hun hand. Zij maakten steden als Enschede, Borne, Almelo en - later
ook - Hengelo groot. En nog steeds is de enorme invloed van deze textielbaronnen
heel herkenbaar aanwezig. Prachtige villa's, landgoederen, fabriekscomplexen en
overig industrieel erfgoed, ja zelfs complete volksbuurten en parken getuigen
van een roemrucht tijdperk. Wie
zich verdiept in de Twentse textielgeschiedenis komt al gauw de naam tegen van
de familie van Heek. Deze familie had de grootste en de meeste textielfabrieken
waarvan het merendeel in Enschede stond. Er waren echter meer fabrikantenfamilies,
zoals Menko, Blijdenstein, Ten Cate, Rozendaal, Tilanus, ter Kuile, Gelderman
en Jannink. Al deze families hadden hun eigen 'imperium' dat bestond uit een of
meerdere textielfabrieken, villa's in en landgoederen buiten de stad. Op die landgoederen
werden met name tussen 1890 en 1920 grote en luxueuze landhuizen gebouwd. In Borne
werd het leven volledig gedomineerd door het bedrijf van de joodse textielpionier
Salomon Spanjaard en zijn nazaten. De
industriële opmars van Hengelo begon iets later dan in de naburige stadjes,
waar zogenaamde 'fabriqueurs' de huisweverij in werkplaatsen hadden georganiseerd.
Rond 1850 was Hengelo niet meer dan een dorp met 2.000 inwoners. Sindsdien groeide
de plaats in rap tempo uit tot het industriële hart van Twente. Een belangrijke
succesfactor hierbij was de aanleg van verschillende spoorlijnen, met Hengelo
als kruispunt. Minstens
zo belangrijk was de aanwezigheid van fabrikanten met initiatief, durf en visie.
Met name gebroeders Charles Theodoor en Jurriaan Engelbert Stork, die in 1868
aan de Lansinkesweg de nieuwe, moderne 'Machinefabriek Gebr. Stork & Co' openden,
stonden aan de basis van de bloei van de stad. Ingenieur R.W.H. Hofstede-Crull,
een pionier op het gebied van elektrotechniek, was een andere plaatselijke grootheid
die de groei van Hengelo - zowel letterlijk als figuurlijk - positieve impulsen
gaf.
Nadat rond
1850 de industrialisatie goed op gang kwam door de introductie van Engelse stoommachines
in de fabrieken voerde de textielindustrie in Twente ruim een eeuw lang de boventoon.
In de bloeitijd waren er ongeveer 160 fabrieken. In 1940 werkte tot 80 procent
van de beroepsbevolking in de textiel. In Enschede ging het met 18.258 mensen
zelfs om 85 procent van de beroepsbevolking. Het risico hiervan bleek toen de
bedrijfstak tussen 1965 en 1975 in elkaar zakte. De sluiting van de uitgestrekte
textielcomplexen leverde enorme problemen op. Niet alleen ontstond grote werkloosheid,
ook moesten steden opnieuw ingericht worden. Veelal viel de keus op sloop en nieuwbouw.
Enkele karakteristieke gebouwen werden behouden en kregen soms een nieuwe bestemming. | |